| Gesprek met Henri Storck |
Films over kunst En de schilders? Waarom hebt u een groot gedeelte van uw oeuvre aan de kunst gewijd? Als jongeling verbleef ik in het schildersmilieu. Mijn oom was schilder en onze familie was erg bevriend met de schilders die in de stad woonden en die sedertdien beroemd geworden zijn: James Ensor, Léon Spilliaert, Constant Permeke. Een tante hield een kunstgalerij en Ensor stelde er heel wat werken tentoon en kwam er tweemaal per dag. Zelf bezocht ik regelmatig de ateliers van die schilders; ik keek toe terwijl ze schilderden; ze legden me hun werk en hun problemen uit en we praatten voortdurend over schilders en schilderkunst. Dat was in het begin van de jaren twintig. De grote revelaties waren Picasso en de hele Parijse school: Delaunay, Léger, Braque en Cézanne. Een tentoonstelling van Van Gogh te Brussel trok ongelooflijke menigten. Die schilders uit Oostende waren mijn leraren. Ik toonde hun mijn probeersels die ik in Pathé-Baby 9,5 mm filmde en die gelijkaardige thema’s behandelden als hùn werk. Ik filmde de zee en de stranden, maar mijn films voegden er de beweging aan toe, wat ze verraste en bekoorde, zelfs al beschouwen sommige schilders beweging als wanorde, chaos. Ze ontdekten een nieuwe manier van kijken. Ze stimuleerden me deze films opnieuw te maken, in 35 mm, wat Beelden van Oostende heeft opgeleverd. We hadden in 1928 een Filmclub opgericht en zij behoorden tot de stichters en de regelmatige toeschouwers. Maar ik heb geen films over hen gemaakt toen ze nog leefden, wat vreemd kan lijken. In die tijd zou het ongepast hebben geleken iemand te vragen of je in hun intimiteit mocht binnendringen en hun daden en gebaren filmen. Zelfs fotograferen leek een indiscretie. Het enige wat mocht, was een andere schilder vragen je portret te schilderen. Op het einde van zijn leven, na de oorlog ‘40-’45, heb ik enkele beelden van James Ensor gemaakt en ik had een project over het oeuvre van Spilliaert, maar zijn dochter was ertegen. Wat Permeke betreft, een vriend en ikzelf hebben onlangs een langspeelfilm aan hem gewijd, half fictie, half documentaire. Dat was ik hem verschuldigd. Ik was zestien jaar oud toen mijn vader stierf, en het was bij Permeke dat mijn moeder haar hart uitstortte en over mij te rade ging. (…) Permeke schilderde de zee zwaar, dreigend, dramatisch; Ensor schilderde het licht subtiel en kleurrijk; Spilliaert schilderde de zee als een vreemd en poëtisch decor. De Belgische cineasten hebben vaak prachtige beelden van de Noordzee gemaakt. Ze is een grote bron van inspiratie - en een buitengewoon lévend wezen. (…) |
||||||||
| < Vorige | Volgende > |
|---|

