Zestig jaar cinema, zeventig films Wanneer je de chronologie nakijkt en teruggaat tot de eerste films, stel je tot je aangename verrassing vast dat Henri Storck in drie jaar tijds (van ‘28 tot ‘30) zelfzeker en intuïtief de basis heeft gelegd van alles wat zijn verdere oeuvre bevestigt en verdiept: de grondthema’s, de trefzekere en aangeboren beheersing van de filmtaal, dat facettenoog dat de wereld door een ander prisma bekijkt, maar tegelijk onze blik een zinvolle eenheid gunt. Laten we even mijmeren over het nummer 1 van de filmografie van Queval: Amateur-films over Oostende, formaat Pathé-Baby 9,5 mm (1927-1928). Niemand zal ze ooit zien. Ze bevinden zich in de limbus, in het duistere schimmenrijk, maar het woord film wordt er reeds in het meervoud in gebruikt. Vervolgens het begrip amateur, van het Latijn amare, hij die liefheeft: ook deze term bleek professioneel correct. Ten slotte ankeren deze films in Oostende, zijn thuishaven, of beter nog: de stad waar hij zich thuis voelde. De hele leerschool is erin aanwezig, zelfs de technische precisie van het cameratype en de keuze van het formaat. Het zal steeds een leerschool blijven. |